Hoge raad buigt zich over inzagerecht

16-07-2024
Nieuws

Bij de Hoge Raad heeft een afgestane en geadopteerde een zaak lopen om inzage in de eigen dossiers te krijgen. De procureur-generaal heeft hierover op 10 juli een stuk gepubliceerd. De samenvatting hiervan is:

Samenvatting
In deze prejudiciële procedure gaat het om de vraag of de rechtbank mag of moet voldoen aan een verzoek om inzage in processtukken uit afgesloten verzoekschriftprocedures en/of afschriften daarvan te krijgen. In die procedures zijn ten aanzien van betrokkene (die inmiddels volwassen is) in het verleden kinderbeschermingsmaatregelen uitgesproken door de rechtbank (uithuisplaatsing, ondertoezichtstelling), zijn de ouders van betrokkene uit de ouderlijke macht ontzet, en is (destijds) Bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam benoemd tot voogdes. Betrokkene vraagt om deze informatie omdat hij bijna niets weet over zijn vroege jeugdjaren en niemand hem daarover iets kan of wil vertellen. Hij heeft die informatie nodig voor het vormen van zijn identiteit en om rust te krijgen.
De rechtbank vraagt onder meer of er een juridische grondslag is om deze informatie aan betrokkene te verstrekken, en hoe het zit met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden.
M.i. is het antwoord dat betrokkene op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in beginsel recht heeft op de informatie, omdat in de procesdossiers zijn eigen persoonsgegevens zijn verwerkt en de AVG een algemeen recht tot inzage in de eigen persoonsgegevens bevat. Uit art. 8 EVRM volgt dat dit recht op informatie in de persoonsgegevens over de eigen kindertijd heel zwaar weegt. Een mogelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden kan bij een dergelijk verzoek slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot het ontzeggen van inzage. Ook in de sociaalpsychologische literatuur is er veel aandacht voor het belang van informatie over de eigen kindertijd.

De rechtbank zal voor elk procesdossier moeten beoordelen of er concrete belangen van derden zijn (bijvoorbeeld ouders of andere familieleden) die worden geraakt bij het verstrekken van informatie aan betrokkene. De derden zullen moeten worden geïnformeerd over het verzoek van betrokkene en in de gelegenheid moeten worden gesteld hun mening daarover te geven. De rechtbank zal dan moeten beoordelen of de belangen van die derden zo zwaar wegen, dat zij rechtvaardigen dat bepaalde stukken deels geanonimiseerd of onleesbaar worden gemaakt, of helemaal uit het dossier moeten worden verwijderd. Het helemaal ontzeggen van informatie uit het procesdossier aan betrokkene is echter niet toegestaan, omdat het fundamentele grondrecht van art. 8 EVRM van betrokkene niet in de kern mag worden aangetast. Gestreefd moet worden naar het zo volledig mogelijk verstrekken van alle informatie die zich in het dossier bevindt, waar het gaat om de eigen persoonsgegevens van betrokkene. Als er in een procesdossier stukken zitten die in het geheel geen betrekking hebben op betrokkene, is geen sprake van eigen persoonsgegevens en is er in beginsel geen recht op inzage in dat specifieke stuk.

Gelet op de sociaalpsychologische wetenschappelijke literatuur over het inzien van kinderbeschermingsdossiers verdient het aanbeveling dat iemand die verzoekt om informatie over de eigen kindertijd ondersteuning door een vertrouwenspersoon wordt aangeboden bij het kennisnemen van het dossier. De informatie kan namelijk een grote impact hebben op een betrokkene, en heeft soms ook (juridische) toelichting nodig. Ook zal de rechtbank moeten toezien op een zorgvuldige samenstelling van het dossier, in die zin dat er geen persoonlijke aantekeningen in zitten en dat het behoorlijk geordend is.

Meer nieuwsberichten